De synchronisatie tijdens het verloop van een gesprek, de onderlinge afstemming van de partners op elkaar, verloopt voor een belangrijk deel via het uitwisselen van blikken. Als gesprekspartners geven we elkaar signalen waarmee we de verdeling van de gesprekstijd regelen. Het zien van een hoofdknik, bijvoorbeeld, betekent toestemming om door te praten. Hoewel ook andere signalen een rol spelen, vormt de uitwisseling van blikken het belangrijkste hulpmiddel. Hoe we iemand aankijken, speelt ook een rol tijdens het leggen van contacten en het opbouwen van een relatie. Wanneer we met iemand contact willen aanknopen, zullen we die ander eerst aankijken; we zullen meer kijken, naarmate men nauwer contact wensen. Pas wanneer de ander terugkijkt, hebben we oogcontact. Er zijn verschillende soorten oogcontact, samenhangend met verschillende soorten van (gewenste) relaties, bijvoorbeeld:
Wanneer we door iemand met een ontspannen gezicht aangekeken worden, vatten we dit vaak op als een teken van sympathie en soms als een eerste signaal van versierderij, behalve wanneer we te lang aangekeken worden. De gewenste mate van oogcontact blijkt rond een bepaalde waarde te schommelen. Onder en tot aan die waarde zullen we iemand door wie we langer en meer aangekeken worden meer waarderen, maar boven die waarde zullen we hem juist minder waarderen.
Te veel aangekeken worden creëert blijkbaar een te grote mate van intimiteit, waarbij we ons steeds minder op ons gemak voelen en steeds meer het gevoel krijgen dat de ander zich aan ons opdringt. Het maakt ook uit wanneer we aangekeken worden en door wie. Iedereen kent de onprettige situatie dat hij oogcontact maakt met een vreemde in een restaurant. De ander lijkt te blijven kijken en telkens moeten we controleren of de ander nog kijkt.
De gewenste mate van intimiteit wordt aangegeven door een combinatie van enkele signalen: nabijheid, oogcontact, glimlachen, frequentie en intensiteit van aanraken en persoonlijke gespreksonderwerpen. Deze signalen beinvloeden elkaar en kunnen elkaar compenseren. Wanneer er een verandering optreedt in een van deze signalen, met name in nabijheid en aanraking, zullen we deze compenseren door wijzigingen in de andere signalen, om toch het gewenste niveau van intimiteit of afstand en privacy (het tegendeel van intimiteit) te handhaven. Bij een te kleine onderlinge afstand, te veel aanraken of bij het persoonlijk worden van het gespreksthema, zullen we er toe neigen het oogcontact te vermijden. De verschillende signalen voor intimiteit kunnen elkaar dus tot op zekere hoogte vervangen. Wanneer we beslist geen intimiteit wensen en toch gedwongen in de nabijheid van anderen verkeren, zelfs ongewenst lichamelijk contact maken, (bijvoorbeeld bij het tegen een ander moeten aanstaan in een volle tram), zullen we oogcontact vermijden en naar het plafond, de vloer of naar buiten staren, een strak gezicht houden en een gesprek vermijden.
Als we via de telefoon spreken kunnen we geen gebruik maken van lichaamssignalen zoals gebaren, gesticulatie, gelaatsuitdrukking, mimiek en aanraking. We zullen dit dan ook proberen te compenseren door meer intonatie in de stem te leggen. Verbazingwekkend is het echter wanneer we iemand aan de telefoon zien die nog steeds hevig aan het gebaren is naar de persoon aan de andere kant van de lijn. Afleren kunnen we onze gebaren blijkbaar niet; zelfs aan de telefoon willen onze handen nog aangeven hoe hoog dat tafeltje was.
tekst: Frank van Marwijk.
Indien u belangstelling heeft voor een presentatie over lichaamstaal binnen uw bedrijf of vereniging dan geven wij hierover graag meer informatie.
![]() ![]() ![]()
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||